Haarlem in de Tweede Wereldoorlog

15 Vergelding

In de duinen bij Bloemendaal zijn veel Nederlanders geëxecuteerd. Een gedenkteken herinnert er aan een massa-executie die plaatsvond op 2 februari 1943. Daar vonden de Haarlemse opperrabbijn Philip Frank en negen anderen de dood voor een vuurpeloton van de Sicherheitspolizei. Diep geschokt maakten de Haarlemmers op die dag voor het eerst kennis met een grote Duitse vergeldingsactie. Een dag daarvoor waren al 102 Haarlemmers gearresteerd om naar het concentratiekamp Vught te worden afgevoerd. De Duitsers namen wraak naar aanleiding van een schietpartij die op zaterdag 30 januari op de Verspronckweg het leven kostte aan een Duitse onderofficier.

Ontdekking massagraven in de Bloemendaalse duinen 1945

Nooit opgehelderd

Niemand wist wie de Duitse onderofficier, sergeant Bamberger van de Geneeskundige Dienst van de Wehrmacht, op die zaterdagavond in de rug neerschoot. Het onderzoek leverde geen enkele aanwijzing op omtrent de identiteit van de dader. Het gerucht deed de ronde dat het ging om jaloerse liefdesperikelen tussen Bamberger en een onbekende andere Duitser. Maar voor de Duitse autoriteiten deed de identiteit van de dader er niet echt toe. Generaal F.C. Christiansen, opperbevelhebber van de Wehrmacht in Nederland, was des duivels en eiste wraak. Die kreeg hij. Hoewel de hoogste Duitse politieautoriteit, de SS-er H.A. Rauter, wist dat het nog maar pas begonnen onderzoek nog gaande was, stelde hij toch vast dat de dader 'in kringen van joden en communisten' gezocht moest worden. Zij zouden boeten.



Namen zoeken

Er was besloten zo'n honderd Haarlemmers gevangen te nemen en dat tien mensen zouden worden geëxecuteerd. Op zondagavond 31 januari kwamen drie hoge Duitse functionarissen van de Sicherheitspolizei naar Haarlem. Dat waren respectievelijk: Joachim Walther, Ernst Wehner en Hermann Neumeijer. Op het politiebureau aan de Smedestraat stelden ze een lijst met namen op van mensen op wie de Duitse vergeldingsactie zich zou gaan richten. Ze kregen hulp van de Haarlemse WA-mannen Jan Nederkoorn, Fake Krist en F. Slot. Burgemeester Plekker verkeerde ook enige tijd in dit gezelschap. Hij verklaarde na de oorlog dat hij erop had aangedrongen dat de naam van rabbijn Frank ('Een goed en edel mens') zou worden geschrapt. Volgens Nederkoorn werd namens Plekker een lijst binnengebracht met namen van leden van de Joodse Raad in Haarlem, waaronder die van Frank. In de nacht van 31 januari op 1 februari rukten arrestatie-eenheden uit en brachten de mannen naar de turnzaal van het bureau aan de Smedestraat.

Dodenlijst

Met behulp van de opgestelde lijst wezen Rauter en Christiansen de namen aan van degenen die gefusilleerd moesten worden. Behalve opperrabbijn Philip Frank waren dat: Herbert Otto Drilsma, Barend Chapon, Iwan Zwanenbeek, Karel Frederik Reumann, Wijnand De La Rie, Johannes Theodorus Lebbe, Simon Warmenhoven, Pieter Weij en Roelof Strengholt. Frank, geboren in augustus 1910, was de nog jonge opperrabbijn van Noord-Holland buiten Amsterdam. In december 1940 nam hij tevens de taken over van de gepensioneerde rabbijn Simon de Vries in de Haarlemse Israëlitische gemeente. Barend Chapon was voorzitter van de kerkenraad van die gemeente, Herbert Drilsma een door de Duitsers uit zijn ambt ontheven joods gemeenteraadslid van Haarlem.

In het aangezicht van de dood

In de avond en nacht die voorafging aan de executie heeft opperrabbijn Frank op het Haarlemse politiebureau een waardigheid getoond, die aan het ongelooflijke grenst. Om onbekende redenen was de SS-er Willi Lages naar Haarlem gekomen. Lages gaf leiding aan de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung die de deportatie van de Nederlandse joden organiseerde. Frank had lang met Lages gesproken en deze tot zijn niet geringe verbijstering vergeving geschonken. Tegenover een van de voorzitters van de Amsterdamse Joodse Raad, Asscher, verklaarde Lages dat Frank als een held was gestorven. In een gesprek met een van de gevangenen die niet geëxecuteerd zou worden, had de opperrabbijn gezegd: [de Duitsers] '... zijn zo klein, ze kunnen ons joden niets doen, alleen afmaken (...). We staan geestelijk zo ver boven hen, we moeten dit maar verdragen en ik persoonlijk als rabbijn behoor bij mijn mensen, ik moet hen steunen en sterk maken voor hun komend lijden'. De volgende morgen, 2 februari, werden de tien veroordeelden opgehaald. Diep ontroerd gingen de andere honderd gevangenen in de houding staan. Direct na hun executie zijn de stoffelijke resten van Frank en zijn lotgenoten gecremeerd. Een joodse begrafenis was hun niet gegund.

In de hal van het stadhuis van Haarlem herinnert een naambord (ontwerp van Han Bijvoet) aan de tien op 2 februari 1943 gefusilleerden

Een vervolg

De Amsterdamse Joodse Raad richtte na de executies een dringend verzoek aan Lages om de nabestaanden van de slachtoffers voor deportatie te behoeden. Maar de SS-er was zijn ontroering snel te boven gekomen. Die nabestaanden werden juist met voorrang gedeporteerd. Zij stierven op 12 februari, tien dagen na de executies, in de gaskamers van Auschwitz. Jenny Chapon, een dochter van Barend Chapon, liet het leven een half jaar later, ook in Auschwitz.

Nog een vervolg

Selma en Jules Chapon, dochter en zoon van Barend Chapon, bleven uit handen van de Duitsers. Selma werkte in het Joodse Joles Ziekenhuis toen haar familie werd opgehaald. Ze was op tijd gewaarschuwd. Jules was wel in het huis aanwezig, maar ontvluchtte via de achtertuin. Beiden overleefden de oorlog op onderduikadressen. Na de oorlog ontdekten ze dat nota bene Jan Nederkoorn hun familiehuis in bezit had genomen. Selma: 'Nederkoorn had alles weggehaald, werkelijk alles. (...) Op een ochtend ging de bel. Stond mevrouw Nederkoorn voor de deur, in gezelschap van een politieagent. Er waren nog spullen van haar in ons huis, zei ze. Toen heeft mijn broer de deur dichtgegooid'. Tot zijn afgrijzen merkte Jules Chapon dat Nederkoorn vijf jaar na de oorlog al weer vrij rondliep. 'Als ik hem op straat tegenkwam, keek hij mij geweldig brutaal aan, alsof ik de schuldige was. Op een gegeven moment heb ik geprobeerd hem met de auto kapot te rijden. Als hij niet op tijd was gesprongen, was hij er geweest'. Zijn huisarts adviseerde hem het land te verlaten: 'Morgen lukt het en dan draai jij de bak in'. Jules en Selma hebben Haarlem de rug toegekeerd. Jules vertrok naar Frankrijk, Selma naar Den Haag.

Literatuur

* Kees van der Linden, 'Der Adolf hat uns nicht besiegt'. Overlevenden van de vervolging over de ondergang van de joodse gemeenschap in Haarlem', in: idem, Jaap Temminck en Wim de Wagt, Kom ga sjoelen. Bijdragen over de geschiedenis van de joodse gemeenschap in Haarlem (Haarlem 1999) 37-60.
* J. Presser, Ondergang. De vervolging en de verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. ('s Gravenhage 1965).
* J.J. Temminck, 'Vertrokken onbekend waarheen. De Haarlemse joden in de Tweede Wereldoorlog', in: Jaarboek Haerlem 1995 (Haarlem 1996) 139-171.
* J.J. Temminck, 'Nieuw licht op de fusillade en gijzeling van februari 1943', in: Jaarboek Haerlem 2004 (Haarlem 2005) 117-130.


* W. de Wagt, Barend Chapon 1884-1943 : Jood en Europeaan (Zutphen, 2001).

Internet

http://www.velseraffaire.nl/1943/index.html

http://www.eerebegraafplaats.nl/

* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.

 



Foto gallerij